Tips voor een wintervakantie in IJsland

Gisteren verscheen een overzicht van wat we allemaal bezochten in IJsland, vandaag een paar tips voor wie er ook in de winter naartoe trekt. Zoals steeds: geen enkele link in onderstaand bericht is gesponserd.

Periode

Wij vertrokken op 30 december en keerden op 7 januari terug. Behalve dat dat betekende dat we er Nieuwjaar vierden, wilt dat ook zeggen dat we er in de donkerste periode van het jaar waren. Dat was wennen, vooral ’s ochtends, wanneer de zon pas om 11.15-11.20 op is (al wordt het langzaam licht vanaf 10.30). ’s Avonds gaat ze onder rond 15.45, wat maar een uurtje vroeger is dan hier en dus wel meeviel. Maar vooral: je hebt wel degelijk nog steeds zo’n 4,5u daglicht per dag; het blijft er, zoals nog noordelijker wel het geval is, geen hele dag donker. Je kan dus niet gigantisch veel op een dag doen, maar mits wat plannen – bijvoorbeeld bij een verder gelegen bestemming in het donker vertrekken zodat je ter plaatse bent bent bij zonsopgang – kan je best wel wat zien. En tegelijk kan je ervan genieten om ’s ochtends uitgebreid te ontbijten en ’s avonds veel tijd te hebben om te lezen en spelletjes te spelen 😉

Strokkur-geiser (Le petit requin)
Een voordeel van korte dagen: je ziet elke dag mooie zonsop- en zonsondergangen

Reisorganisatie

Wij stelden onze reis zelf samen: we kozen voor een Airbnb waar we de hele week bleven en boekten onze tickets bij Icelandair vanuit Zwitserland en WOW air vanuit België (compenseren deed ik via greenseat.nl, wat natuurlijk een soort aflatensysteem is, maar – denk ik dan maar – beter dan niets). Qua uitstappen hadden we het voordeel dat mijn ouders er al eens geweest waren en dus al grotendeels een idee hadden van wat er te zien is. Toen zij er een paar jaar geleden in de zomer voor twee weken naartoe gingen, boekten ze wel bij een reisorganisatie, o.a. omdat ze toen het hele eiland rondtrokken i.p.v. op één plek te overnachten.

Verblijf

Wij verbleven in een Airbnb in Flúðir, wat voor een winterverblijf van één week waarbij je – omwille van zowel tijdsbeperkingen als toegankelijkheid door het weer – enkel het zuidoostelijke deel van het eiland kan doen, ideaal gelegen is. Je zit er op anderhalf uur rijden van Reykjavik, een kleine twee uur van de kuststad Vík í Mýrdal, een half uurtje van Geysir en Gulfoss en een uur van het Nationaal Park Þingvellir (die laatste drie zijn de belangrijkste bezienswaardigheden op de zogenaamde Golden circle, de bekendste toeristische route op het eiland).

Breiðás Flúðir (Le petit requin)
Onze Airbnb in Flúðir

De laatste avond sliepen we in een Airbnb in Keflavík, omdat onze vlucht naar huis ’s ochtends vroeg was en we geen zin hadden om – zoals mijn ouders, mijn broer en zijn vriendin die een dag vroeger vertrokken – midden in de nacht te moeten vertrekken naar de luchthaven (leren rekening houden met mijn energieniveau, check 😉 ). Dat we door die overnachting ook in bebouwder gebied waren toen de IJslanders Jólasveinar vierden (het vertrek van de laatste van de 13 kerstjongens op 6 januari en daarmee ook het einde van de kerstperiode) en zo het vele vuurwerk konden zien was mooi meegenomen 🙂

Hallgrímskirkja (Le petit requin)
Voordeel van een verblijf in Reykjavik: je geraakt misschien wél voor sluitingsuur in de mooie Hallgrímskirkja 🙂

Veel mensen kiezen Reykjavik als uitvalsbasis, maar zelf ben ik blij dat we dat niet gedaan hebben. Enerzijds zit je er toch verder af van de meeste bezienswaardigheden (voor ons zou bijvoorbeeld enkel Þingvellir een kwartiertje dichterbij geweest zijn, maar de rest tot een uur – enkele rit! – verder afgelegen). Anderzijds heb je het grote nadeel dat je bij een heldere hemel de stad weer uit moet als je het noorderlicht wilt kunnen zien (omwille van de lichtpollutie). Wij hadden weliswaar ook een paar huizen-met-kerstverlichting in de buurt, maar behalve dat dat sowieso veel beter is dan een hele stad, konden we die met een beetje stappen ook al achter ons laten. Kies je ervoor om geen zelfstandige uitstappen te doen, maar gebruik te maken van georganiseerde tours, dan kan het wel handig zijn om in Reykjavik te overnachten, omdat velen van daaruit vertrekken (al vrees ik dat je in dat geval dat rustig ontbijt en dat lezen ’s avonds voor een groot deel kan vergeten, want dan moet je voor verschillende uitstappen veel vroeger opstaan).

Weer

In tegenstelling tot wat ik verwacht had, lag er de hele week bijna geen sneeuw; enkel de laatste dag werden we wakker met een laagje wit. Blijkbaar varieert dat heel erg: er zijn periodes waarin het bijna niet sneeuwt, maar er kan blijkbaar evengoed meerdere tientallen centimeters vallen. In de noordelijke en oostelijke delen van het eiland is de kans op sneeuw groter; ook de reden dat wij een vaste overnachting in het zuidwestelijke deel kozen.

Desondanks valt de temperatuur in de winter meestal wel mee. IJsland heeft, dankzij de warmere Golfstroom, een – gezien zijn naam verrassend – mild klimaat. Heel diep onder het vriespunt gaan de temperaturen meestal niet. Dat neemt niet weg dat je je wel degelijk warm moet kleden, want de gevoelstemperatuur ligt meestal pakken lager dan de reëele. Boosdoener: de wind!

Seljalandsfoss (Le petit requin)
Waterdichte kledij is nodig. Voor het weer, maar ook om achter watervallen te kunnen wandelen 🙂

Ik had meestal mijn winterwandelbroek aan met bovenaan thermisch ondergoed zonder mouwen, een sous-pull en mijn ski-jas (vergeet een paraplu – door de wind houdt die het toch niet vol – en zorg dus voor regendichte kledij). Op koude dagen voegde ik daar een legging en een fleecepull als extra lagen aan toe. Verder ook nog – logisch, maar ik vermeld het toch maar even – een haarband, halswarmer (sluit beter aan op het gezicht dan een sjaal) en twee paar handschoenen: een dik paar dat voor de meeste warmte zorgde, maar daaronder een dunner paar dat ik aanhield wanneer ik wilde fotograferen (wat, als je een beetje met instellingen wilt prutsen, niet handig is met dikke handschoenen 🙂 ).

Tot slot droeg ik ook steeds stevige, waterdichte wandelschoenen met een goed paar kousen, die niet alleen zorgden dat ik warme voeten had, maar ook hielpen bij de soms gladde wandelpaden (temperaturen rond het vriespunt zijn dan misschien niet heel koud; wegspattend water van een waterval vriest er desondanks bij aan).

Verkeer

Wij huurden zelf een wagen, een 4×4 met spijkerbanden, en namen een all-in verzekering (met opspattende steentjes op gravelwegen, kans op slippen… leek ons dat niet onverstandig). Zolang je op de grote ringweg blijft, is er niets moeilijk aan het rijden ginder (het eventuele rijden in het donker daargelaten, want dat is niet anders dan hier). Ga je er – vrij onvermijdelijk – af, dan wordt het soms wat verraderlijker: ook al lag er weinig tot geen sneeuw, we kregen wel degelijk een paar gladde stukken voor de wielen geschoven waar we blij waren met die spijkerbanden.

Einbreið brú (Le petit requin)
Een specialleke ginder: de aankondiging van een Einbreið brú ofte een brug die één vak breed is. Voorrang gaat naar wie het eerst op de brug is.

Hoe goed onderhouden de ringweg ook is, veel andere wegen zijn in de winter simpelweg geen optie. Wij reden een stukje van de weg richting Landmannalaugar, een dal in het binnenland, om daar een aantal dingen te bezoeken, maar de rest van die weg was afgesloten. Tenzij je gaat voor een gigantische 4×4 truck op camionwielen, vergeet het (of kom, zoals wij willen doen, gewoon in de zomer terug met een normale 4×4). Op deze website vind je alle informatie over de omstandigheden op de weg. Best altijd even bekijken voor vertrek, om zeker te zijn dat er geen onverwachte sneeuwbuien of dergelijke roet in het eten gooien.

Oh, en die wind die ik hierboven vermeldde? Die maakt ook dat je je autodeur best goed vasthoudt bij het uitstappen…

Eten

Kort samengevat: duur! Ik ben nochtans al wat gewoon door de Zwitserse prijzen, maar vond het desondanks duur genoeg (laat staan wat de rest, die in België woont, er van vond 🙂 ). Wij deden onze grote inkopen bij supermarkt Bonus in Selfoss, omdat de prijzen daar lager waren dan bij de plaatselijke kruidenier Samkaup Strax in Flúðir. Koken deden we, op twee dagen na, zelf, enerzijds omdat we nu eenmaal niet in een buurt logeerden waar er veel restaurants te vinden waren, anderzijds omdat we zo de prijs toch een beetje konden drukken. Zeker het proeven waard – voor zover je dat al niet gedaan hebt sinds het ook in België te vinden is: Skyr, IJslandse yoghurt.

De beide keren dat we toch op restaurant gingen, was dat in Reykjavik. We aten er bij:

  • Salka Valka, dat – zeker naar IJslandse normen – schappelijk is van prijs. Het menu is vrij beperkt, omdat ze uitgaan van de verse visvangst van de dag. De Plokkfiskur is een aanrader 🙂 . Voor de vegetariërs zijn er ook opties waarbij de vis weggelaten wordt, maar echt vegetarische of veganistische opties stonden er – als ik het mij goed herinner – niet op de kaart. Prijs: 165 euro voor zes volwassenen.
Salka Valka Reykjavik (Le petit requin)
Plokkfiskur (visstoofpotje) met roggebrood, broccoli en zoete aardappel
  • ROK, dat een pak duurder – maar ook luxueuzer is. Wij kozen ervoor, omdat ik graag vegetarisch wilde eten (na een hele week vlees had ik het er echt wel mee gehad), maar Johan graag IJslands lam wilde proeven. Hier zijn er zowel vegetarische als vis- en vleesgerechten te vinden. De gangen zijn klein (reken twee gerechten voor een hoofdgerecht), maar lekker. Wij proefden voor de prijs van 75 euro voor twee personen van: een paddenstoelenrisotto met rodewijnsaus en parmezaan, een vegetarisch “vleesbroodje” met cashewnoten, portobellochampignons, bloemkool en yoghurtsaus, een zwarte bonenburger met jalapeñomayonaise, augurkjes en tomaten en een ribeye van lam.
ROK Reykjavik (Le petit requin)

Aurora Borealis

De belangrijkste reden dat wij in deze periode gingen, was het noorderlicht, waarop je in de winter – in tegenstelling tot de zomer – grote kans hebt.
Niet dat je er op kan rekenen het te zien, want zelfs wanneer het vele uren donker is, zijn er twee belangrijke factoren die moeten samenvallen: de hemel moet voldoende helder zijn én er moet zonne-activiteit zijn.

Ik heb mij vooral laten leiden door de rest van de groep, met mijn moeder – die een gat in de lucht sprong bij elk beetje activiteit – op kop. Zij en Johan keken op de apps My Aurora Forecast, Aurora Forecast en Aurora Now en de website Space Weather, waardoor ze vrij goed konden inschatten wanneer we kans hadden om noorderlicht te zien. De beide keren dat we een voldoende heldere hemel hadden, hebben we ook noorderlicht gezien (zonder uren buiten in de kou te moeten staan wachten tot het zover was). Ik kan die apps dus alleen maar aanraden 🙂

Niet om de fun al op voorhand te verpesten, maar toch een paar tips om – mogelijks te hoge – verwachtingen bij noorderlicht bij te stellen naar realistische:

  • op foto’s is noorderlicht meestal heel fel en overduidelijk te zien. Dat komt door de lange sluitertijd, maar aangezien onze ogen jammer genoeg geen 30 seconden licht kunnen binnenlaten (noch andere camera-instellingen hebben 😉 ), is felgroen op de foto in het echt lichtgroen of zelfs wit. Mijn ouders hebben het ook al in Noorwegen gezien waar ze er toen dichter bij waren en daar was het echt groen van kleur; dit keer was het eerder een wit schijnsel. Neemt niet weg dat ook dat fascinerend is om te zien!
  • Witte vlekken in de lucht, dat wilt ook zeggen dat noorderlicht er al eens als wolken kan uitzien. De eerste keer dat ik het zag, heb ik een paar keer opnieuw moeten kijken (en eens geloerd op het cameraschermpje) om te beseffen dat het wel degelijk noorderlicht was. Dat gebeurt, dat is normaal.
Aurora Borealis (Le petit requin)
’t Is niet omdat het er met het blote oog als een wit schijnsel uitziet, dat ge geen spectaculaire en/of romantische foto’s kunt maken. Wel 30 seconden in dezelfde houding blijven kussen, dat wel 😜
  • Zorg dat je “paraat” bent: het kan zijn dat de activiteit meerdere uren te zien is, maar evengoed is ze al weer verdwenen tegen dat je goed en wel buiten bent. Niet dat je met al je kleren aan binnen moet zitten wachten (dat doet het warmte-effect nogal teniet namelijk 😉 ), maar zorg dat je het belangrijkste vlakbij hebt. Idem trouwens als je foto’s wilt nemen: je toestel al monteren op je statief, het eventueel zelfs al buiten laten staan (ergo: geen damp bij de overgang van binnen naar buiten), op voorhand alle instellingen overlopen… het helpt allemaal om niet als een kieken zonder kop naar buiten te lopen.

Ik ga hier geen uitgebreide tips geven om het noorderlicht te fotograferen, daarvoor bestaan er veel betere websites (weliswaar ook daar geen tips, aangezien ik een paar doorwinterde amateurfotograferen bij had die mij ter plaatse tips gaven 😉 ). Wel kort de belangrijkste zaken om op te letten:

  • statief (no way dat je scherpe foto’s kan nemen anders)
  • kabel-afstandsbediening (zelfde reden). Heb je dat niet, stel dan de zelfontspanner in.
  • manueel scherpstellen (test dit op de sterren en controleer of je toestel een knopje heeft om de scherptediepte aan te geven; bij het mijne was dat moeilijker, waardoor het wat gokken was wanneer hij effectief goed scherpgesteld stond. Ik heb daardoor foto’s die ok, maar toch een beetje onscherp zijn)
  • hoge ISO
  • lange sluitertijd
  • extra batterij (want kouder dan standaardomstandigheden en dus gaat een batterij sneller leeg. En je wilt echt niet zonder batterij komen zitten op zo’n moment)
Geysir (Le petit requin)
Zei ik al dat het licht en de kleuren er machtig mooi zijn?

Voilà, tot zover mijn tips. Wie nog vragen heeft, shoot! En dan verschijnen er hopelijk ooit nog wel eens uitgebreide verslagen van alle mooie ontdekkingen die we deden 😉

7 winterse dagen in IJsland

Zoals met elke reis ben ik altijd vast van plan om er hier op de blog veel over te schrijven. Tot nu toe is het resultaat daarvan dat ik veel concepten met wat kernwoorden heb staan en duusd mappen met ongesorteerde foto’s. Het aantal geschreven reisblogberichten: 10… (waarvan eigenlijk geen enkel écht over een reis gaat). Wetende hoeveel schone reizen ik al gedaan heb, is dat nogal een magere oogst…

Niet dat ik mij illusies maak over hoe snel er uitgebreide IJsland-berichten gaan komen (’t is misschien zelfs beter als ze er niet meteen komen, want dan ben ik vermoedelijk afleiding van mijn thesis aan het zoeken 😉 ), maar toen Elisse in de reacties vroeg naar tips, besloot ik toch al een eerste overzichtje te maken. Vandaag een overzicht van ons programma (wanneer ik later – hopelijk – uitgebreidere berichten schrijf, zal ik hier een link toevoegen); morgen een bericht met wat tips voor een bezoek aan IJsland in de winter.

Dag 1

  • Brúarhlöð, een rotsformatie in de rivier Hvítá. Niet om speciaal naartoe te rijden, maar wanneer je in de buurt bent zeker een stop waard.
  • Gulfoss, een waterval in diezelfde rivier. Absoluut de moeite, maar – zelfs in de winter – heel toeristisch.
  • Geysir, een – du-uh – geiser 🙂 . De Strokkur-geiser is zeer actief en spuit ongeveer elke 10 min de lucht in. Meer dan wat ook is dit een absolute must-see, want hoe fantastisch mooi de vele watervallen ook zijn, die kan je op zoveel plaatsen in de wereld zien. Geisers daarentegen, daarvan zijn er maar zes actieve gebieden in de hele wereld!
Gulfoss (van de Geysir zie je hier de opbollende bel vlak voor de uitbarsting en hier de uitbarsting zelf)

Dag 2

Ik kroop op deze dag doodop terug in mijn bed (de vorige dag was – mede door een oudejaarsavond met noorderlicht – wat te lang voor mij, wat gecombineerd met de vreselijke effecten van medicatie afbouwen, een wrak van mij maakte). De rest trok naar de Hjalparfoss, een waterval (foss betekent waterval) in de Fossá-rivier die in twee stromen tussen basaltzuilen naar beneden valt.

Hjalparfoss

Dag 3

Zo toeristisch als de waterval Gulfoss was, zo rustig was het in de Gjáin-vallei waar je de Gjárfoss en Gjáinfoss kan zien. Hoewel ons oorspronkelijke plan was om “even” naar de Gjárfoss te kijken en daarna verder te rijden, bleven we er de hele dag (wat natuurlijk ook maar neerkwam op een uurtje of 4 😉 ).

Gjáinfoss (een foto van de Gjárfoss zie je hier bij dag 2)

Dag 4

Nationaal Park Þingvellir – erkend UNESCO-werelderfgoed, o.a. omdat hier het Alþing, het parlement van IJsland, opgericht werd – met:

  • zichtbare Midden-Atlantische Rug, de scheiding tusssen de Noord-Amerikaanse en Euraziatische plaat
  • Öxarárfoss, brede waterval in de rivier Öxará
  • Almannagjá, de Alle-mensen-kloof, waar toespraken werden gehouden
  • Drekkingarhylur, waar misdadige vrouwen verdronken werden (de mannen werden iets verderop opgehangen…)

Hoewel ook toeristisch is dit park zeker de moeite waard. Wie met een droogpak mag duiken, kan hier tussen de twee tectonische platen zwemmen (als ik ooit terugkeer zal het met die licentie zijn 😉 ).

Zicht op de Midden-Atlantische rug met de Öxarárfoss in de achtergrond

Dag 5

Op deze dag trokken we naar Vík í Mýrdal en reden vanaf daar langs meerdere stops terug naar huis. Hadden we meer tijd gehad, dan zouden we ook de wandeling naar het vliegtuigwrak bij Sólheimasandur gedaan hebben, maar 8km wandelen én rustig rondkijken én al de rest, dat was teveel voor de hoeveelheid daglicht die we maar hadden.

  • Strand van Reynisfjara: heel mooie basaltformatie. Wel opletten met de golven, want die worden hier snel verraderlijk hoog (ik spreek uit natte ervaring 😉 )
  • Dyrhólaey: een hele mooie klif, al is er – door scheuren en daardoor afbrokkelende stenen – minder van het gebied toegankelijk dan een paar jaar geleden
Dyrhólaey (een foto van de basaltformaties op het strand van Reynisfjara vind je hier bij dag 4)
  • Skógafoss: een 60m hoge waterval in de rivier Skóga. Impressionant! Zeker ook de trappen naar de bovenkant ervan beklimmen 🙂
  • Seljalandsfoss: een ongeveer even hoge waterval in de rivier Seljalands (de opbouw van de namen van de watervallen is iedereen ondertussen wel duidelijk vermoed ik 😉 ). Je kan erachter lopen, wat behalve heel tof ook heel nat is. Goede regenkledij aandoen dus!
  • Gljúfrabúi: ook een waterval (ja kijk, ’t is niet omdat het systeem van naamgeving duidelijk wordt dat er geen uitzonderingen op zijn 😜 ) en een van de mooiste. Puur qua watervolume is hij veel minder spectaculair, maar hij zit mooi verscholen in een kloof. Absoluut de kletsnatte voeten waard 🙂
Gljúfrabúi

Dag 6

Op onze laatste dag samen deden we het rustig aan. We trokken naar:

  • Kerið: een vulkaan met een mooie 55m diepe krater, waarin zich een meertje gevormd heeft
  • Kerk van Skálholt: een vrij klein kerkje dat ooit het centrum van het belangrijkste bisdom van IJsland was. Tof als tussenstop.
  • Secret Lagoon: wij wilden heel graag naar een natuurlijke hotspring, maar hadden weinig zin om tussen de massa in de Blue Lagoon te kruipen. Het werd de – in Flúðir zelf gelegen – Secret Lagoon, waar de watertemperatuur tot 40°C oploopt en je ook de Litla Geysir een klein beetje kan zien spuiten 🙂
Glasramen in de kerk van Skálholt (een foto van de krater staat hier bij dag 5)

Dag 7

De laatste dag wilden Johan en ik oorspronkelijk het schiereiland Reykjanes bezoeken, aangezien dat in de buurt lag van de Airbnb waar we ’s avonds naartoe wilden. Uiteindelijk kwamen we daar niet meer aan toe – soms is praten om je relatie overeind te houden belangrijker dan sightseeing -, maar brachten we wel een kort, avondlijk bezoekje aan Reykjavik. Die stad is zeker meer tijd waard, maar voor ons was dit een natuur- en geen cultuurvakantie, waardoor het geen prioriteit had. Bij een eventueel volgend bezoek in de zomer zie ik er ons wel nog langer rondwandelen. Op het kleine toertje dat we wel deden, zagen we:

  • Hallgrímskirkja: een op basaltzuilen geïnspireerde kerk, die weliswaar niet kan tippen aan het echte natuurfenomeen, maar desondanks heel mooi is. Wij waren te laat om binnen te kunnen, aangezien ze in de wintermaanden slechts tot 17u geopend is.
  • Harpa concert- en congrescentrum: een impressionant gebouw waar je wel eventjes in kan ronddwalen
  • Sólfar sculptuur: een sculptuur uit roestvast staal van Jón Gunnar Árnason, die een “ode aan de zon” is
Sólfar (een foto van Harpa vind je hier bij dag 6)

Ik mis Zwitserland

Ook over wat er geweldig is aan Zwitserland, verscheen drie jaar geleden een blogpost en net zoals eergisteren het geval was voor de Belgische versie, ga ik vandaag vertellen over wat ik mis wanneer ik niet in Zwitserland ben.

De natuur

Het stond al in mijn bericht drie jaar geleden en het blijft bovenaan staan: de natuur. Eerst en vooral dicht bij huis, want daar is de invloed het grootst: in theorie woon ik hier in de stad (want in een stadsdistrict en respectievelijk 2 en 2,5 km van het centrale station en het historische centrum), maar in de praktijk voelt het helemaal niet zo (want omringd door groene heuvels en een rivier). Dat ik dicht bij huis kan kiezen of ik ga wandelen in het bos, langs open velden of tussen wijngaarden, is zo’n ongelooflijke luxe!
Mensen genieten hier ook zo hard van de natuur die er is: bij mooi weer stroomt iedereen naar buiten om bijvoorbeeld in groep te barbecueën langs een rivier. En dat gebeurt echt niet enkel tijdens vakanties, elk weekend en vaak zelfs op weekdagen is het van dat!

Limmat Zürich (Le petit requin)
Zomerse avondactiviteit in Zürich, de grootste stad van Zwitserland: een duik nemen in de Limmat

En dan heb ik het nog niet eens over de Alpen, die mij blijven verbazen met al hun schone plekjes (en mij evenzeer blij maken als ik ze toevallig ergens spot in de achtergrond), over de vele meren, waar je gewoon in kan plonzen, over de  bossen waar je uren in kan verdwijnen… Neen, het is hier geen Canada of dergelijke waar je compleet in het niets kan verdwijnen; meestal is er ergens een spoor van menselijke activiteit te zien (een hut, een lift…). Maar er is hier zoveel natuur en die is zo overweldigend mooi, dat ik er gigantisch naar verlang wanneer ik te lang weg ben. Ben ik langere tijd in een veel dicht bebouwder land, zoals België, dan krijg ik het gevoel dat er te weinig “lucht”, te weinig ruimte is.

Entlebuch (Le petit requin)

De rust

De vele natuur helpt hier natuurlijk bij, maar ik ervaar in Zwitserland ook een ruimer gevoel van rust: mensen zijn niet zo gestresseerd en het gaat er al bij al vrij relax aan toe op het werk (toch bij mij en veel mensen in mijn omgeving). De zondagsrust is nog meer ingeburgerd (al zouden de kerken soms ook wel mee mogen doen 😉 ) en mensen maken vaak tijd voor (avond)wandelingetjes op weekdagen.

Dat Zwitserland bekend is om zijn georganiseerdheid, draagt hier volgens mij sterk aan bij. Er wordt naar mijn aanvoelen maar weinig geklaagd over dingen die mislopen (al wordt er hier ook al wel eens ongeduldig op een horloge gekeken wanneer de trein twee minuten te laat is 😜). Mensen hebben respect voor hun omgeving: als iets netjes is, ben je natuurlijk veel sneller geneigd het zo te houden. Zo wordt er maar zelden afval achtergelaten in de natuur, maar liggen ook de steden er heel proper bij. Sneeuwt het, dan worden niet alleen de straat, maar ook de voetpaden en het paadje naar de voordeur sneeuwvrij gemaakt… Heb je voor een aanvraag document x of y nodig bij de gemeente, dan ligt dat een dag na je aanvraag al in de bus… Die georganiseerdheid zorgt voor een ongelooflijke rust, omdat er gewoon veel minder dingen zijn om je over op te winden, over te discussiëren of je zorgen over te maken. Dat zorgt er bij mij voor dat wanneer ik terugkeer na een tijdje afwezigheid, ik een soort rust ervaar…

Sechseläutenplatz Zürich (Le petit requin)
Sechseläutenplatz, een van de pleinen in Zürich centrum. Zoek papiertjes en ander vuil op de grond 😉

De Zwitsers

Zwitsers hebben de reputatie dat ze niet makkelijk contact maken met andere mensen. Dat is correct, want diep contact is en blijft moeilijk (al vind ik ze eigenlijk vergelijkbaar met de Belgen, ’t is nu ook niet alsof die uitblinken daarin), maar wat algemene vriendelijkheid betreft, scoren de Zwitsers zoveel beter! Op straat groeten mensen elkaar, in de moestuin komt de ene buur vragen wat je gaat planten en stelt de andere voor zijn schop te lenen (en leg ze maar terug als je klaar bent hoor en als je ze de volgende keer nodig hebt, je weet ze liggen he nu). ’s Avonds als vrouw alleen naar huis wandelen langs onverlichte wegen? Geen probleem! Ik moet weliswaar zeggen dat ik dat in België ook deed en mij daar ook nooit op mijn ongemak gevoeld heb, maar het verschil is: ik werd wel aangesproken of nagefloten. Hier word ik gewoon niet bekeken of aangesproken (of ’t moet een Abig (goedenavond) zijn) en dus is er ook geen aanleiding om je misschien onveilig te voelen.

Monty Zürich (Le petit requin)
Lieve Zwitsers: toen de door een hele wijk geadopteerde straatkat Monty overleed, werd er een standbeeld voor hem geplaatst in het parkje waar hij altijd rondliep

Was het contact met mijn collega’s lang moeilijk door de taalbarrière, dan bleken ze zich na de breuk met J. te ontpoppen tot eerste klasse helpers: vijf minuten (!) nadat ik over de breuk vertelde, contacteerde een collega al iemand bij wie ik kon gaan wonen. Ook op sociaal gebied gaven ze mij heel veel tips (leuke plekjes in mijn nieuwe stad, het voorstel om mee te moestuinieren in de tuin van een collega…). Blijkt dat Zwitsers gigantisch behulpzaam zijn én dat vanzelfsprekend vinden.

Winterthur (Le petit requin)
Het huis waar ik dankzij mijn collega terecht kon

Ik laat het allemaal wel heel idyllisch klinken; er zijn zeker ook nadelen aan dit land en niet alles is altijd en overal even rooskleurig. Maar los daarvan, ervaar ik hier een algemeen gevoel van vertrouwen en optimisme. Smijt daar al die grandioze natuur bovenop en jup, ik heb hier mijn plekje wel gevonden 🙂

Ik mis België

Of toch af en toe een klein beetje 😜 . Ongeveer drie jaar geleden, toen ik een jaar in Zwitserland woonde, schreef ik over 5 dingen die geweldig zijn aan België. Ik was al langer van plan om daar eens een update van te schrijven en aangezien Lotte er naar vroeg (en dan specifiek naar wat ik mis aan België), werd het tijd om dat plan eens om te zetten. Dit keer dus niet gewoon wat “tof” of “geweldig” is aan België, wel wat ik effectief mis.

Familie en vrienden

Hetzelfde eerste puntje als de vorige keer en nog steeds het allerbelangrijkste: mijn familie en vrienden. Gewoon even binnen springen, een berichtje sturen om diezelfde avond nog af te spreken… nope, dat zit er niet meer in en dat blijft jammer. Gelukkig hoor ik de meesten nog heel vaak, ga ik nog regelmatig naar België en komt er regelmatig bezoek naar hier (wat bij sommigen zelfs voor een “beter” contact gezorgd heeft, want tijdens een meerdaags bezoek kan je al eens dieper op sommige dingen ingaan dan tijdens evenveel tijd verspreid over meerdere kortere bezoeken).

Haaltert (Le petit requin)
Een spontane avondwandeling met mijn broer en zijn vriendin? Nog maar zelden mogelijk…

Tot nu toe heb ik nog maar weinig “grote gebeurtenissen” (huwelijken, lente- of communiefeesten…) gemist, omdat ik altijd probeer daar een weekend rond te plannen. Natuurlijk is het jammer dat ik er niet meer voor elke verjaardag of bijeenkomst ben, maar gelukkig heeft nog niemand mij dat kwalijk genomen. Bovendien ben ik er soms toch een beetje bij: op verjaardagen van dichte familie skypen we en worden cadeautjes in de mate van het mogelijk ook dan opengedaan, zodat ik “er bij ben”. Uiteraard niet hetzelfde, maar wel een beter alternatief dan ik op voorhand verwacht had.

En toch, soms mis ik het om mijn familie en vrienden zo dichtbij te hebben en om meer deel uit te maken van hun leven.

Vlaamse Ardennen (Le petit requin)
Ook samen gaan fietsen in het weekend, gebeurt bijna nooit meer. Deze foto doet mij overigens beseffen dat ik het Vlakke Vlaamsche Land ook al wel eens durf missen, vooral op die momenten dat mijn benen afzien door alle hoogtemeters hier 😉

De vanzelfsprekendheid

Het klinkt misschien raar om vanzelfsprekendheid te missen en toch is dat, na vier jaar hier, hetgeen dat mij het vaakst doet beseffen dat ik een buitenlander ben en dat waarschijnlijk nog lang zal blijven.

Het gaat dan om kleine dingen, zoals

  • die keer dat ik een plank wilde kopen voor een DIY-project. In België ga je automatisch naar een Gamma, Brico of dergelijke: je leert niet op school dat dat doe-het-zelfzaken zijn, je kijkt daarvoor niet in een handboek, je wéét dat gewoon. Hier wist ik dat een van de supermarkten een doe-het-zelf-afdeling had, maar die was te beperkt. En ja, dan weet je plots niet waar naartoe, want welke doe-het-zelf-zaken zijn er hier?
  • dat gesprek met een collega over haar schoolgaande kinderen, dat mij deed beseffen dat het schoolsysteem hier toch meer verschilt van het Belgische dan ik tot nu toe dacht. En dat ik dat dus allemaal ga moeten uitpluizen eens er hier een kleine Peeters rondloopt die ooit naar school moet.
  • toen ik Aalsterse vlaai wilde maken, maar geen kandijsiroop in huis had. Tja, dan is het zoeken of ze dat hier hebben of wachten tot ik de volgende keer in België ben, zodat ik daar de ingrediënten kan kopen die hier niet te vinden zijn.
  • de doos karton die ik buiten zette voor de ophaling en ’s avonds terugvond met een melding erop dat “er papier in zit en dat niet wordt opgehaald”. Unk, hoezo moeten papier en karton gescheiden worden?!

Ik zei het al, het gaat op zich om kleine dingen. En ik mis ook niet specifiek de Brico of die vlaai natuurlijk; wat ik wel mis is hoe vanzelfsprekend sommige dingen in België zijn. Vanzelfsprekend omdat je ze gewoon ontdekt tijdens het opgroeien (want je gaat al eens met je ouders naar een doe-het-zelfzaak). Vanzelfsprekend omdat je sommige dingen nu eenmaal gewoon weet (je gaat naar school en dus leer je hoe een schoolopleiding in België verloopt). Ik mis het soms om geen energie te moeten steken in het uitzoeken van dat soort kleinigheden. Want ook al weet ik ondertussen al lang dat papier en karton gescheiden worden, het vroeg in het begin even opzoekwerk (en dus tijd en energie) om te begrijpen hoe dat nu eigenlijk zat. Zo zijn er massa’s kleine dingetjes en hoewel het er elk jaar minder worden, blijven er opduiken. Zelfs in een land zo dicht bij België verschillen veel dingen en is er dus vanalles niet meer vanzelfsprekend.

Bureau (Le petit requin)
Het project waarvoor ik hout zocht: het bureau in mijn vorig appartement was een combinatie van ladekasten van “de Zweed” met een massief houten werkblad

Ik heb de bron jammer genoeg niet bijgehouden, maar in een tekst die ik ooit las werd heimwee gedefinieerd als het missen van liefde, veiligheid en bescherming. Omdat dat kenmerken zijn die we associëren met “thuis”, missen we – bij gebrek eraan in een nieuwe omgeving – de plaats waar ze wel zijn, namelijk thuis. Je mist wat normaal is, wat routine is, je mist het sociaal netwerk dat je hebt.
En ook al heb ik eigenlijk zelden heimwee, wanneer ik het voel, dan is het inderdaad dat: het missen van liefde (ook al is die er hier ook; een groot deel van de mensen die ik liefheb bevindt zich nog steeds daar) en het missen van wat vanzelfsprekend is. En toch, toch is het het allemaal waard. Gelukkig maar 😉

Vakantieplannen

Toen ik jullie bij het begin van 40 dagen bloggen vroeg wat jullie van mij wilden weten, vroeg Charlotte naar mijn reisplannen voor dit jaar. Hoewel zij dacht dat dat de makkelijke vraag zou zijn met als moeilijke tegenhanger wat mijn favoriete reis is, bleek het net omgekeerd te zijn. Er is – ondanks al vele, fantastische reiservaringen – namelijk geen haar op mijn hoofd dat twijfelt over welke reis op nummer 1 staat (Canada!), wel over waar ik dit jaar overal te vinden ben 🙂

Bultrugwalvis (Le petit requin)
Een van de zovele redenen waarom die 3,5 weken Canada zo fantastisch waren: bultrugwalvissen!

In het begin van dit jaar waren dit de plannen, het ene al vager dan het andere:

  • Februari: skivakanties in de Vogezen en het Arlbergmassief
  • Juni: architectuurreis Rome
  • September (of daarrond): trekking in de Balkan

De skivakantie in Frankrijk vond effectief plaats en werd onmiddellijk gevolgd door een weekendje in de Alpen; die in Oostenrijk stond nog steeds op de planning, maar zegde ik jammer genoeg op het laatste moment af, omdat het te druk was op het werk (iets waar ik nu – om meerdere redenen – eigenlijk spijt van heb, maar bon, het is wat het is). Ook de architectuurreis naar Rome werd definitief geschrapt, aangezien ik dit semester uiteindelijk toch niet deelneem aan de lessen.

Morteratschgletscher (Le petit requin)
Weekendvakantie in de sneeuw

In de plaats kwamen echter minstens even leuke plannen:

  • In mei – binnenkort dus al – ga ik een steenkapcursus volgen in het noorden van Frankrijk, meer bepaald in de Citadel van Charlemont bij Givet, net over de Belgisch-Franse grens. Een paar jaar geleden volgde ik het eerste deel van die cursus, maar die vond volledig in een atelier plaats. Dit keer gaan we effectief meehelpen aan een restauratie, omdat we de gekapte stenen ook zullen leren plaatsen. Spannend! 🙂
  • Een maand later ga ik de culturele toer op met een citytrip naar Boedapest. Die werd heel spontaan vastgelegd toen bleek dat Nick Cave er de avond voor mijn verjaardag optreed. Combineer dat met het feit dat ik Boedapest sowieso al lang eens wilde bezoeken en plots lagen een overnachting en twee nachttreinen vast 🙂 Tips worden trouwens zéér geapprecieerd!
  • Juli wordt dan weer sportief, want dan ga ik in Zwitserland zelf een stage bergbeklimmen volgen. Nog veel spannender dus, want we gaan in een groep van zes onder begeleiding van een gids toppen beklimmen, leren hoe je veilig vordert op een gletsjer, hoe en welke knopen je moet leggen, rotsklimmen… Ik hoop dat ik het fysiek aan kan, want ook al is het een stage voor beginners, het zal zeker niet evident worden. Neemt niet weg dat ik er wel heel erg naar uitkijk, want ooooh, de mogelijkheid om die schone bergen nog meer te ontdekken ♥

Steenkappen (Le petit requin)
Een aantal kaptechnieken die ik leerde tijdens de eerste steenkapcursus, respectievelijk op een Calcaire de Meuse en een Petit granit

Dit zijn de drie “grote” plannen, daarnaast zijn er ook al verschillende plannen voor – meestal sportieve – weekends weg: zo ga ik in augustus een weekend naar Oostenrijk om er aan een trailrun van 26km deel te nemen (aaaargh!), staan eind oktober een paar dagen België gepland voor de marathon van Brussel (nog meer aaaargh 😜) en komen mijn ouders in augustus op bezoek, wat betekent dat er ook dan wat uitstapjes zullen plaatsvinden. Daarnaast ga ik natuurlijk ook in Zwitserland zelf verschillende keren een dag of weekend weg: veel zal spontaan beslist worden, maar o.a. aan de Alpenchallenge in Lenzerheide, de Granfondo San Gottardo en ouwe getrouwe het Alpenbrevet wordt waarschijnlijk een overnachting gekoppeld.

Grimselpass vanaf Furkapass (Le petit requin)
Sportief “den toerist uithangen” op de Furkapas

En die trekking in de Balkan? Wel, daar ben ik nog niet helemaal uit. Het plan blijft bestaan, maar ik moet nog bekijken hoe realistisch het financieel is (want bovenstaande plannen geven misschien de indruk dat ik een ezeltje heb dat geld schijt, dat is natuurlijk niet het geval 😉 ). Een alternatief zou kunnen zijn dat ik een week (of twee) naar de Provence trek, waar ik heel goedkoop kan overnachten in het huis van een familielid (want de Provence is op zich natuurlijk veel duurder dan Slovenië of dergelijke). Dat het exact 10 jaar geleden is dat ik nog eens bovenop mijn eerste bergliefde, de Ventoux, stond, maakt dat plan ook heel aantrekkelijk, maar definitief staat voor die periode nog niets vast. Wie weet ontdek ik dat ezeltje toch en kan ik gewoon beide doen 😉