We gaan eens overmoedig doen

Het is door een blogpost ooit bij i. van Kerygma dat ik blogs ben beginnen lezen. In den beginne enkel de hare, daarna doorklikgewijs tot een lijst die ondertussen al verschillende transformaties heeft ondergaan. Maar zij blijft er standaard instaan. Omdat ze zo schoon schrijft en mij van tijd een geweten schopt.

Wie er ook al een hele tijd instaat is Kelly van Tales from the Crib, die recent haar Blogboek uitbracht. Jups, ook hier wordt er in gelezen en dat geeft voornamelijk reacties als “oeh tof, leuk idee”, “ah amai, dat moet ik misschien ook eens zo organiseren” (en dan heel af en toe ook een “hmm, dat idee had ik al voor ik dit boek las en gaat nu totaal niet meer origineel lijken”).

#projectblogboek

En als dan de ene het boek van de andere leest, dan komt daar al eens een zot idee uit, zo blijkt: #projectblogboek ofte maak van elk lijstjesidee in het boek een blogpost. 15 ideeën per lijstje x 8 lijstjes in het boek = 120 blogposts.

Zot? Nogal.
Overmoedig? Een beetje (hum hum).
Doe ik mee? Ja!

Gedicht: Als

Als
als ik
als ik weg zal zijn
zal niets veranderd zijn
of toch bijna niets
misschien
de wolken even mooi dat achteloos
gebaar
van wegstrijkende haren en tederheid
de uren van herinnering verglijdend in
vergeten
maar onontkenbaar als de zee
een glimlach van herkenning
om alles wat anders is
geworden

(schrijver onbekend)

Gehoord: Money Train (Nick Cave & Warren Ellis)

Dit nummer komt uit de film The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford, die gebaseerd is op het gelijknamige boek van Ron Hansen. Ik heb het boek nog niet gelezen, maar het zal een heel goed boek moeten zijn om beter te zijn dan de film!

Dit nummer spreekt mij  het meeste aan, maar eigenlijk is de hele soundtrack de moeite. Eens luisteren hier of – uiteraard – gewoon naar de film kijken 🙂

(luisteren tijdens melancholische buien is overigens volledig op eigen risico)

Gelezen: Oefening (Bernard Dewulf)

Om af en toe eens te herlezen, wanneer de onrust het overneemt.

Oefening

Dit is de eerste zin van dit stukje. Het is nu 08.25 uur. Bij de laatste zin zal het donkeren. Dan zal ik weer een dag gesakkerd, gesukkeld en veel geschrapt hebben. Daarna zal ik wakker schieten van verkeerde woorden en foute beelden.
Zo gaat het wekelijks. Terwijl u misschien denkt, wat is dat makkelijk geschreven.

Eigenlijk kan ik niet schrijven. Alleen schrappen.
Hopelijk kan ik wel een beetje schrijven. Het zou triestig zijn na veertig jaar oefenen. Maar één alinea lezen van de meesters en ik weet het wel weer: dat is mij niet gegeven.
Vind ik dat erg? Het is verschrikkelijk. Maar er zijn erger dingen, enzovoort.

Aanleiding tot deze kleine ontboezeming is een nieuw onderzoek van psychologen. Het stond in de krant. De vraag luidde: baart oefening inderdaad kunst, zoals ons al van aan de borst wordt voorgehouden?
Besluit: veel minder dan we dachten.
Ik mag nog mijn hele bestaan proberen zo’n bonte koolmees te tekenen, hij zal hooguit op een grijze mus lijken. En hij zou ook niet kunnen vliegen. Ik heb geen vingers.
En nooit zal ik ‘Le plat pays’ van Brel enigszins kunnen zingen. Ik heb geen oren.
‘Oefening’, zo las ik, ‘telt slechts voor 12 procent mee in de verklaring waarom sommige mensen beter in iets zijn dan anderen.’ De volgende vraag luidt dan uiteraard: wat is de rest?

Het antwoord lijkt me eenvoudig: aanleg. Gave, genie, talent, grootsheid, begiftiging, genen. Maar dat willen de onderzoekers niet gezegd hebben. Dat wil niemand echt gezegd hebben. Waarom niet eigenlijk? Alsof iedereen uiteindelijk best Messi kan zijn, als hij maar lang genoeg tegen een bal sjot. Na 10.000 uren. Oefening.
Onzin natuurlijk.
Waar zijn we zo bang voor? Voor onze onderlinge ongelijkheid? Die is een feit. Messi slalomde al in de eicel.

Allemaal vallen we massaal voor ‘godenkinderen’ als Mozart, Messi of Grace Kelly. Toch houden we vol dat oefening ‘kunst’ baart.
Amehoela.
Oefening kweekt een zekere kunde. Dat wel. Iedereen kan, na jaren, zichzelf schaakmat zetten. Maar dat is het dan ook.
Ik mag nog mijn hele hiernamaals oefenen op een groots schilderij. Sint-Pieter zal het rustig toevoegen aan de reusachtige afvalberg, daar boven, van mislukte meesterwerken.

Is dat erg? Sommige dagen wel. Maar het is me niet gegeven, hoe zeer men ooit ook wilde schitteren, toen men veertig jaar geleden al, in de ijlkoorts van de jeugd, de meesters las, de schilders zag, Mozart hoorde en één van hen wilde zijn.
Maar de jaren zelf bedaren de dromen. De dagen zelf brengen de voeten op de grond. De schrijvende uren zelf hebben hebben nederig gemaakt.

En intussen tikken de middaguren.
Vroeger draaide men een blad in de typemachine. Bij elke verkeerde zin draaide men het er weer uit. En ’s avonds was de papiermand vol. Toen kieperde men zijn onzinnen bij de rest van het huishoudafval. En wist men weer waar men stond.
Nu nadert de avond en is al het vorige hier zeker tien keer herschreven en gedeletet. In het niets. Van het scherm. Ergens daarachter vebroederen voortdurend afgedankte zinnen.

Enkelen onder ons schitteren, de meesten schutteren.
Zo is het.
Nooit zal ik flonkeren, ook al oefen ik tot in de hemel. Mijn zinnen zullen nooit de voetjes van Messi hebben. Of de melodie van Mozart. Laat staan de gratie van Grace Kelly.
Vind ik dat erg?
Het is geen leven.
Maar nu het stilaan schemert, nu ik dus nooit zal klinken als Messi en dribbelen als Mozart, zelfs geen koolmees zal kunnen vereeuwigen en mag oefenen tot in de eeuwigheid op een houterige tango, nu ik dat allemaal al lang weet, nu kan ik deze laatste zin rustig, in een zekere vrede, laten vallen.
Ik heb toch maar weer een dag geoefend.

Bron: Column Si & La (Bernard Dewulf voor De Standaard)

Gedicht: Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven-
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen;
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

(Toon Tellegen, Gewone gedichten)