Gedicht: Evenwicht

Ik val, ik val
net niet, ik sta, ik sta mijn
mannetje, ik hou toch
stand, ik hou me
goed, herstel, o nee, ik val, ik
val opnieuw, wiebel, wankel, struikel
even, kom weer overeind, nee, nú val
ik echt, ik val lelijk tegen, glij
tegen de grond, bijna, zwaai
weer recht, sta
weer pal mijn mannetje zo stevig
op de benen, au, o nee, ik
hou het niet meer
vol, zwaai wiegend nog
even, armen wijd
en treurig grijnzend, molenwieken
piepen, knarsend struikel ik, ik val, ik val
tegen maar kom
met scheve grijns weer overeind.

(Lidy Van Marissing, Zoek de lege gebieden)

Gedicht: Nog een geluk dat

Zoals met de gek uit het grapje
die zich voortdurend met een hamer
op het hoofd sloeg, en naar de reden gevraagd, zei:
‘Omdat het zo prettig is als ik ermee ophou’ –
zo is het een beetje met mij. Ik ben ermee opgehouden
je te verliezen. Ik ben je kwijt.

Misschien is dat geluk: een geluk bij een ongeluk.
Misschien is geluk: nog een geluk dat.
Dat ik aan jou kan terugdenken, bv.,
in plaats van aan een ander.

(Herman De Coninck, Zolang er sneeuw ligt)

Gedicht: Dit is het land

Omdat geen enkel kind verplicht zou mogen worden om veel te vroeg het land van grote mensen in te moeten…

Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and’re muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen…
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

(Annie M.G. Schmidt, En wat dan nog?)

Gedicht: Recyclage

Was liefde van glas,
ze zou zingen kunnen en vullen,
laven, warmen en verkoelen,
rinkelen en tingelen
tot ogen blinken
van plezier

was liefde van glas,
je zou haar schilderen kunnen
in alle kleuren die bestaan,
en zonnesplinters vangen
tot lijven in lichterlaaie staan

was liefde van glas,
ze zou slecht vallen kunnen,
barsten en zelfs breken
in wel duzend gruzelementen,
die schampen op hart of huid,
en snijden tot het bloedt

was liefde van glas,
en net zo breekbaar,
je zou haar nochtans harden kunnen
of pantseren tegen
menig slag of stoot

maar als niets nog lijkt te helpen,
kun je haar altijd nog smelten
en herbeginnen,
keer op keer op keer,
en van voor af aan,

zolang een jij, een ik en liefde
bestaan.

(Anna)

Gedicht: Opgevoed in zwijgzaamheid

Opgevoed in zwijgzaamheid.
Het is sindsdien mijn vak: woorden zoeken
die zwijgen. Die je niet hebt,
maar alleen kunt krijgen.

Misschien leerde ik het van mijn moeder.
‘Jongen, je weet wel,’ zei ze toen ik ging trouwen.
Ik heb er bundels en vrouwen
over gedaan om zo weinig te zeggen.

Om het geinige af te leren, vervolgens
het chagrijnige, om ten slotte thuis
te komen in het weinige.
Van de lenige liefde in de enige.

(Herman de Coninck, Nu, dus)