Gedicht: Opgevoed in zwijgzaamheid

Opgevoed in zwijgzaamheid.
Het is sindsdien mijn vak: woorden zoeken
die zwijgen. Die je niet hebt,
maar alleen kunt krijgen.

Misschien leerde ik het van mijn moeder.
‘Jongen, je weet wel,’ zei ze toen ik ging trouwen.
Ik heb er bundels en vrouwen
over gedaan om zo weinig te zeggen.

Om het geinige af te leren, vervolgens
het chagrijnige, om ten slotte thuis
te komen in het weinige.
Van de lenige liefde in de enige.

(Herman de Coninck, Nu, dus)

Gedicht: Behoud

Behoud de begeerte.
Vergeet waarvoor je in de kou
wou staan en sterven
toen je dacht dat de wereld een lente
was of een vrouw.

Verwacht dag en nacht
maar vergeet de vrees die je was.
Betaal geen rente voor je gedrag.

Morgen versnelt.
Gisteren zwelt
liefde doodt, gaat niet dood.

Behoud geen resten.
Stap over haar schreef.
Zij blijft de welriekende dreef
in jouw verwoeste gewesten.

(Hugo Claus)

Gedicht

Je moet niet alleen, om de plek te bereiken,
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
Er is niets te zien, en dat moet je zien
om alles bij het zeer oude te laten.

Er is hier. Er is tijd
om overmorgen iets te hebben achtergelaten.
Daar moet je vandaag voor zorgen.
Voor sterfelijkheid.

(Herman de Coninck, Schoolslag)

Gedicht: Liedje

Ik hou van haar. Veel te intens.
Het zal vanzelf wel minder worden.
Ze wordt wel weer zomaar een mens.
Het mens. Met afspraken. En orde.

De duizend en zoveelste zoen
komt wellicht ergens naast mijn oor.
We zullen het hebben over toen.
Dus nu. Daar is het heden voor.

ik vrees het strelen van haar handen
de dag dat ze met twee slechts zijn
en met hun duimen zullen draaien.
En de langdradigheid van pijn.

Ooit zit ik weer alleen aan zee.
In plaats van alle dagen feest
is eeuwigheid tien jaar geweest
en twee ja’s minder dan één nee.

(Herman de Coninck, Nagelaten gedichten)