Ik? Ik val niet, ik dans.

Bijna drie maanden bleef het hier stil. Niet dat ik niet meer schreef. Maar het was te hard en dan weer te zacht, te genadeloos en dan weer te vergevend. Te persoonlijk, vooral. Want niet dat jullie niet mogen meelezen, maar sommige dingen, tja, sommige dingen, die moeten nu eenmaal eerst even kunnen bezinken, moeten eerst kunnen gedeeld worden met wie het dichtst bij mij staat. En vooral: ik moet in staat zijn ze te kunnen verwoorden voor jullie, wat de afgelopen weken niet lukte: ofwel voelde ik mij slecht en kwamen de woorden wel, maar wilde ik ze niet publiceren, ofwel voelde ik mij goed en had ik geen zin om door woorden opnieuw te verzwelgen in het slechte. Afstand nemen van al die gevoelens, het was nodig bij momenten. Wat niet betekent dat ik ze onderdrukt heb, integendeel. En tegenwoordig ben ik zelfs al eens in staat om ze bewust op te zoeken en te verwerken. Zoals nu, nu ik dit schrijf op een goede dag en weet dat de kans groot is dat ik straks weer aan het wenen zal zijn. Maar dat is niet erg. Het moet er nu eenmaal uit, niet teveel ineens, want dan bestaat de kans dat ik kopje onder ga, maar beetje bij beetje.

Hoe het nu met mij is? Het gaat. Niet goed, maar ook niet slecht. Of neen, soms gaat het goed, heel goed zelfs, soms gaat het slecht. In lijn der verwachtingen dus. Maar niet helemaal, want had je mij nog niet eens zo lang geleden gevraagd wat ik zou doen “gesteld dat”, dan had ik zonder enige twijfel “instorten” geantwoord (of neen, ik zou geantwoord hebben dat ik daar niet eens over zou moeten nadenken, want dat was toch helemaal geen optie. Want hij en ik, wij zagen elkaar toch gewoon graag, wij waren toch voor altijd?). Maar dus: instorten. Want hoe zou er een andere optie kunnen zijn wanneer de enige stabiele factor van de laatste jaren plots zou wegvallen? Hoe zou er iets anders kunnen gebeuren wanneer ik mij al zo fragiel voel, bij de psy net op het randje goedgekeurd word om met mijn depressie toch te gaan werken, daar op dat werk net overeind blijf?

En toch ben ik niet ingestort. Of ja, deels wel. Natuurlijk, hoe kan het ook anders? Ik ben de dag na de breuk naar België gevlucht, naar armen die mij wel nog wilden vasthouden en mij overeind hielden terwijl ik weende en brulde om al dat verdriet. Nooit heb ik geweten dat liefde zo fysiek pijn kon doen, dat het zo letterlijk kan voelen alsof je een stukje doodgaat, hoe hard afwijzing een mens kan treffen. Eigenlijk snap ik het nog niet helemaal hoe het komt dat ik desondanks toch overeind gebleven ben. Hoe ik na vier dagen België de trein terug nam, een tijdelijke kamer vond, alleen alles inpakte, alleen alles naar die kamer verhuisde en begon aan mijn leven alleen. Hoe ik sociaal contact opzocht, terwijl ik daar in de maanden ervoor niet eens energie voor kon opbrengen. Hoe ik doodop was door al het verdriet en toch bij momenten de ziel uit mijn lijf sportte, omdat dat meer dan ooit een uitlaatklep vormde.

Terwijl ik een stuk van mijzelf verloor, heb ik een ander stuk teruggevonden. Dat stukje kracht dat ik vroeger had, maar dacht definitief kwijt te zijn door burn-out en depressie. Dat stukje zelfvertrouwen in het feit dat ik uiteindelijk overal wel doorheen kom. Dat niemand mij klein krijgt. Zelfs niet hij. Terwijl ik dacht dat hij de enige was die mij overeind hield de afgelopen jaren. Blijkt dat zelfs de sterkste pilaar mag wegvallen, ik harder dan ooit mag wankelen, overeind komen doe ik toch.

Of alles dan ok is? Uiteraard nog niet. Er blijven nog zoveel vragen. De vraag of het eigenlijk ooit enkel wij twee geweest zijn in onze relatie? Of is zij altijd in zijn hoofd erbij geweest, wetende dat hij voor hij mij kende ook al eens op haar verliefd geweest is? De vraag hoe het kan, dat iemand thuis plannen maakt om naar het buitenland te verhuizen en de vraag stelt of ik met hem zou willen trouwen en ondertussen op het werk “passioneel verliefd” is op een collega? De vraag hoe een mens dat kan, afspreken en kussen met de nieuwe vrouw en een paar uur later in bed kruipen en kussen met de “vorige” vrouw? De vraag hoe het kan dat iemand het ene moment de belangrijkste persoon in mijn leven is en de dag erna iemand die geen rol meer speelt? De vraag hoe iemand de ene dag zo liefdevol kan zijn en de andere zo hard en koud? Het zijn vragen die gigantisch veel pijn doen en waarop geen enkel antwoord ooit bevredigend kan zijn. En dus probeer ik ze los te laten. Nu nog als een ballonnetje dat tegen het plafond zweeft, maar ik af en toe nog eens naar beneden trek. Binnen een tijdje hopelijk als een ballonnetje dat de vrije hemel in kan en niet meer terug komt.

Maar ik ga vooruit. Soms wankelend en twijfelend, vasthoudend aan al wat was, soms lichtvoetig huppelend om al wat mogelijk is. Soms struikelend, soms stevig rechtop.

Want als ik één ding geleerd heb de voorbije maanden, dan is het wel dit:

Ik?
ik val niet, ik dans.

(Uit: Een meisje)

Kinderen in huis

Augustus is dit jaar de maand waarin het ene bezoek-met-kinderen het andere opvolgt. In het begin van de maand kregen we gedurende vier dagen drie kindjes over de vloer (2, 4 en 6 jaar), op dit moment logeren er al ruim een week twee kindjes van 2 en 4 jaar (voor de duidelijkheid: telkens mét hun ouders). Best wel leerrijk zo blijkt, want plots merkt een mens:

  • hoe proper volwassenen eigenlijk wel zijn. Johan en ik zijn verre van kuisfreaks en kuisen dus maar om de twee, soms drie weken. Dat er dan al wat kruimels onder tafel liggen is dus evident, maar blijkt niets vergeleken met wat er nu na amper twee dagen onder lag. Onze borstel is nog nooit zo vaak gebruikt als in de afgelopen twee weken.
  • hoe verwonderd kindjes kunnen zijn over dingen waar wij niet bij stilstaan. Een vliegtuig! In de lucht! Wow zot! (ok, ik kan ook kinderlijk blij worden van vliegtuigen, maar dan wel enkel als ik er mee mag vliegen)
  • hoe wispelturig kinderen kunnen zijn: ik wil fietsen… ik wil stappen… ik wil fietsen… ik wil stappen (op 5 minuten tijd)
  • hoe fantastisch het is dat je als volwassene enige gematigdheid geleerd hebt. We zouden namelijk allemaal als manisch-depressief beschouwd worden als we dezelfde emotionele variatie zouden hebben als kinderen, denk ik. Twee voorbeelden:

    We zijn aan het eten; iedereen heeft zijn eigen bord.
    Seconde 1: superblij, want jeeej eten!
    Seconde 3: waaaaah, bleiten alom want mijn broer/vader/moeder/… is aan MIJN bord gekomen. Joey doesn’t share food weet-u-wel.

    We gaan naar de speeltuin.
    Seconde 1: contentement alom, ah ja, speeeelen
    Seconde 4: bleiterij tot en met want gevallen in diezelfde speeltuin en knie kapot (aan het volume te horen vermoedelijk een open beenbreuk met complicaties)
    Seconde 6: kusje en kijk, een vogeltje in de lucht en jeeeej, speeeeelen

    Serieus maat, geen wonder dat kinderen veel slaap nodig hebben, een mens zou van minder moe worden.

  • dat het opletten geblazen is, wegens speelgoed all over the place (uiteraard bij voorkeur daar waar ik juist mijn voeten wil neerzetten)

Le petit requin

  • dat kindjes niet altijd even logisch zijn. Zo wordt de vraag of de taart lekker is zeer beslist beantwoordt met “neen” (oeps), maar zie je tegelijk die taart wel verbazingwekkend snel en met veel goesting in datzelfde mondje verdwijnen 😉
  • hoe fantastisch een beetje rust op de wc wel niet is. Ik zat er nog maar net toen al de vraag “waar is Haaike?” volgde (en dan heb ik nog de chance dat ik de deur op slot kan doen).
  • dat het ook wel heel schattig is dat die kindjes blijkbaar regelmatig vragen waar ik ben, terwijl ik op mijn werk ben, en stralend beginnen lachen wanneer ik thuis kom.
  • dat kinderen hebben een heel andere kennis van onze streek vereist. Want waar zijn er speeltuinen? Euhm… En als het even kan ook voor welke leeftijd die geschikt zijn en of ze in de schaduw liggen (want op de middag bij temperaturen rond de 30°C is dat best wel praktisch)? Nog meer euhm…
  • dat het toch wel handig is dat het niet uw eigen kinderen zijn en je dus op de drukste momenten gewoon eventjes kan “vluchten” 😉

Volgende week volgt er nog een vierdaags bezoek met een 7- en 9-jarige; benieuwd of dat nog nieuwe inzichten gaat opleveren. En daarna: een beetje rust en dan 1 (één!) volwassene op bezoek, hoe rustig gaat dat niet zijn seg?

Talige cijfers en jarige priemgetallen

Grappig vind ik dat, hoe cijfers in verschillende talen hetzelfde en toch anders kunnen zijn. Zo heb je in de Germaanse talen een duidelijke link met het tiental vanaf 13 (thirteen, dertien, dreizehn) en zijn enkel 11 en 12 “afwijkend”. In het Frans moet je wachten tot 17 vooraleer je het tiental duidelijk naar voor ziet komen (want: treize, quatorze, quinze, seize en pas dan dix-sept).

Ook zeg je in het Frans dix-huit en vingt-huit, maar draai je in het Nederlands de volgorde om met eerst de acht en dan het tiental: achttien en achtentwintig. De Engelstaligen starten “op zijn Nederlands” met eighteen, maar switchen daarna naar twenty-eight. Persoonlijk ben ik wel meer fan van de Fransen op dat gebied, want wanneer je vb. een telefoonnummer gedicteerd krijgt, weet je in het Frans meteen waar je aan toe bent, terwijl je in het Nederlands het eerste cijfer dat je hoort (de 8 in 18) pas als tweede schrijft.

Al zijn de Fransen zeker niet altijd de meest logische mensen, want wat te denken van hun getal 80, dat meer een wiskundesom is dan een getal op zich met zijn quatre-vingts? Blijkbaar is dat nog een restant van het oude vigesimaal telsysteem dat 20 als basisgetal gebruikte en waarin niet alleen tachtig 4×20, maar ook zestig 3×20 was. En eigenlijk begint het pas echt als je vb. 99 wilt zeggen, want dan ben je in het Frans met quatrevingtdix-neuf al “serieus” aan het rekenen. Mijn vader zegt soms om te lachen dat het makkelijker zou zijn om cent-moins-un (100-1) te zeggen dan het huidige (4×20+10+9) en geef hem maar eens ongelijk 🙂 Mijn favorieten op dat vlak zijn dan ook de Zwitsers, die – in een deel van het Franstalig gebied – gaan voor soixanteseptantehuitante en nonante. Nog een tikkeltje makkelijker dus dan het Belgische Frans.

Anderzijds biedt het splitsen van getallen in sommen wel mogelijkheden, want je moet dan al meteen een pak minder cijfernamen kennen. Alleen: hoe ver drijf je het dan? Blijf je opsplitsen tot je niet meer kan, zijnde tot alle deelcomponenten priemgetallen zijn? Het is de meest logische manier, omdat je dan altijd bij dezelfde basis uitkomt (of je nu 30 eerst opsplitst als 2×15, als 3×10 of als 5×6, het uiteindelijke product is altijd 2x3x5), maar tegelijk compleet ondoenbaar want tachtig wordt dan al gauw 2x2x2x2x5.

Al heb je dan wel enkel namen nodig voor de priemgetallen, want al de rest kan daarop teruggeleid worden: weg dus met negentien, negenentwintig en consoorten en op zoek naar een nieuwe naam?

Verdeling van priemgetallen (megawetenschap.nl)
Mooie grafische patronen bij de verdeling van priemgetallen (zwart) tussen de natuurlijke cijfers (Bron: http://www.megawetenschap.nl/priemgetallen.html)

En zo beseften Johan en ik plots (want bovenstaande is eigenlijk een halve weergave van een gesprek tussen ons) dat we volgend jaar allebei priemgetaljarig zijn: hij wordt 37, ik 29. Hoe leuk is dat wel niet feitelijk? We hebben al best wat gezamelijke priemgetalverjaardagen achter de rug, maar toen kenden we elkaar nog niet:

  • 3 & 11
  • 5 & 13 (meteen ook een stukje van de rij van Fibonnaci, want mijn leeftijd, ons leeftijdsverschil en zijn leeftijd is dan 5, 8, 13)
  • 11 & 19
  • 23 & 31
  • 29 & 37

We vieren dus volgend jaar onze vijfde (zelf een priemgetal) priemgetalverjaardag, toch wel reden voor een feestje, niet? 😉

De eenzaamheid van de priemgetallen (Paolo Giordano)
De eenzaamheid van de priemgetallen, gelukkig niet op ons van toepassing (Bron: www.goodreads.com)